Rechten van verdachten

cuffsPrimi aki pa Papiamento

Ook voor verdachten heeft een strafbaar feit grote gevolgen. Wanneer er voor de politie voldoende aanwijzingen zijn dat iemand een strafbaar feit heeft gepleegd, betekent dat voor die persoon dat een aantal van zijn rechten beperkt mag worden. Zo kan hij of zij door de politie worden aangehouden, ondervraagd en zelfs enige tijd worden vastgehouden. Daarnaast mag een verdachte onder bepaalde omstandigheden worden gevolgd en afgeluisterd. Deze maatregelen kunnen ingrijpend zijn, zeker wanneer men bedenkt dat het hier gaat om mensen die slechts verdacht zijn. Met andere woorden, hun schuld staat nog niet vast en mogelijk zijn zij dan ook onschuldig. Mede daarom is de inzet van dergelijke maatregelen gebonden aan regels en beperkingen en hebben verdachten recht op bescherming tegen onterechte inbreuken op hun privacy en vrijheid.

1) Wanneer ben ik een verdachte?
Iemand is volgens het Wetboek van Strafvordering een verdachte wanneer de politie op basis van feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden heeft dat die persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. Het moet dus gaan om (i) een strafbaar feit, (ii) een redelijk vermoeden van schuld van de betrokken persoon en (iii) dat vermoeden moet gebaseerd zijn op feiten of omstandigheden. Of een vermoeden redelijk is, staat los van de vraag of de persoon daadwerkelijk schuldig blijkt te zijn. Als uit de feiten of omstandigheden redelijkerwijs kan worden vermoed dat iemand schuldig is, dan mag hij als verdachte worden aangemerkt en behandeld, ook al blijkt op een later tijdstip dat hij onschuldig was. Omgekeerd mag iemand niet zonder voldoende aanleiding als verdachte worden aangemerkt en behandeld, ook al blijkt op een later tijdstip dat hij juist wel schuldig was.

2) Welke gevolgen heeft dat?
inzet opsporingsmiddelen
Het feit dat de politie iemand verdenkt van een strafbaar feit wordt voor die persoon vaak pas duidelijk wanneer hij of zij wordt opgeroepen voor een verhoor of wordt aangehouden. Voor die tijd is de politie namelijk niet verplicht om aan de verdachte door te geven dat hij of zij verdacht is. Voordat dat zover is, mag de politie echter al wel een aantal opsporingsmiddelen tegen een verdachte inzetten. Sommige van deze opsporingsmiddelen mogen niet zonder toestemming van de rechter-commissaris of de Officier van Justitie worden ingezet, zoals bijvoorbeeld het aftappen van een telefoon, het langdurig observeren van een verdachte of het opvragen van bepaalde gegevens over de verdachte. Als de politie die toestemming niet heeft en desondanks toch die middelen inzet, kan dat vergaande gevolgen hebben voor de strafzaak tegen de verdachte. In het uiterste geval kan de rechter zelfs bepalen dat hij de zaak helemaal niet zal behandelen omdat de politie zonder toestemming te werk is gegaan. Andere opties die de rechter in dit soort gevallen heeft, zijn strafvermindering en het weigeren van bewijsmiddelen die zijn verzameld door middel van de niet-toegestane opsporingsmiddelen.

voorarrest

Wanneer een verdachte is aangehouden op grond van het redelijk vermoeden van schuld, dan mag hij zes uur voor verhoor op het bureau worden gehouden. Als de officier van justitie of een hulp-officier van justitie (vaak een politieagent met een hogere rang) van mening is dat meer tijd nodig is, dan kan hij bepalen dat  de verdachte in verzekering dient te worden gesteld. Dit mag alleen als dat in het belang van het onderzoek is, bijvoorbeeld omdat er nog nader verhoor moet plaats vinden, of omdat er getuigen zijn die met de verdachte moeten worden geconfronteerd. Ook wanneer er redenen zijn om aan te nemen dat de verdachte zal vluchten of zal proberen het onderzoek te verstoren, mag inverzekeringstelling worden bevolen. Deze inverzekeringstelling kan maximaal twee dagen duren en mag door de officier van justitie met maximaal 8 dagen worden verlengd. Als na deze periode blijkt dat de verdenking tegen de verdachte zwaar genoeg is om te spreken van ‘ernstige bezwaren’, dan kan de rechter-commissaris in sommige gevallen bepalen dat de verdachte in voorlopige hechtenis wordt genomen.
De voorlopige hechtenis bestaat uit twee delen. Het eerste deel heet inbewaringstelling. Dit duurt maximaal 8 dagen en mag eenmaal met 8 dagen worden verlengd. Daarna bepaalt de rechter-commissaris of de verdachte nog langer wordt vastgehouden. Op dat moment gaat de inbewaringstelling over in gevangenhouding. Deze laatste fase duurt maximaal zestig dagen en kan twee keer met dertig dagen worden verlengd. Als de zaak gedurende deze periode voor de rechter wordt gebracht, duurt de gevangenhouding voort tot aan de einduitspraak.

3) Welke rechten heeft een verdachte?
Hierboven is een aantal gevolgen voor de verdachte op een rij gezet, en zoals u ziet kunnen deze zeer ingrijpend zijn. Ondanks het feit dat een verdachte onschuldig is tot het tegendeel is bewezen, mogen op de vrijheid en privacy van een verdachte in vergaande mate inbreuken worden gepleegd, nog voordat vaststaat dat hij een strafbaar feit heeft gepleegd. Mede daarom biedt de wet een aantal beschermingen om te voorkomen dat politie en justitie verder gaan dan noodzakelijk en redelijk is. Hieronder volgt een opsomming van de belangrijkste rechten waarop een verdachte een beroep kan doen.

1) Het zwijgrecht.  Een verdachte hoeft niet mee te werken aan zijn eigen veroordeling en mag te allen tijde zwijgen, zowel bij verhoren door de politie als door de rechter. Voordat hij wordt verhoord moet hij op dit recht worden gewezen.
2) Recht op rechtsbijstand. Een verdachte heeft het recht om voorafgaand aan zijn eerste verhoor met een advocaat te spreken. Als hij of zij geen advocaat kan betalen, heeft een verdachte recht op kosteloze rechtsbijstand (voor meer informatie zie de website van de Orde van Advocaten).  Bovendien heeft een verdachte recht op vertrouwelijke communicatie met zijn advocaat, hij mag met andere woorden niet afgeluisterd worden, tenzij de advocaat zelf als verdachte van een strafbaar feit kan worden aangemerkt.
3) Recht op een tolk. Een verdachte heeft het recht om zich te laten bijstaan door een tolk wanneer hij of zij de taal niet spreekt.
4) Recht op toetsing van het voorarrest. Een verdachte die in verzekering is gesteld moet na drie dagen en zestien uur voor de rechter-commissaris worden gebracht, zodat deze kan toetsen of de inverzekeringstelling wel terecht is. Daarnaast heeft een verdachte het recht om de beslissing van de rechter-commissaris om hem in bewaring te nemen of hem gevangen te houden aan te vechten bij een hogere rechter.
5) Recht op inzicht in het dossier. De officier van justitie verzamelt documenten en bewijsmateriaal en bouwt op die manier een dossier op. Een verdachte heeft recht op inzage in zijn dossier, al kan dit recht beperkt worden in het kader van het onderzoek.
6) Recht om bezwaar te maken tegen de dagvaarding. Wanneer de officier van justitie besluit om een strafzaak aan te brengen bij de rechter, laat hij dit aan de verdachte weten door middel van een kennisgeving, de zogeheten dagvaarding. Deze dagvaarding bevat de datum waarop de rechter de zaak zal horen en dient in die zin dus als oproeping aan de verdachte. Daarnaast bevat de dagvaarding de tenlastelegging, een omschrijving van het strafbaar feit waarvan de verdachte wordt verdacht en de basis waarop de rechter zal oordelen. Deze dagvaarding moet aan een aantal wettelijke eisen voldoen en als de verdachte en diens advocaat van mening zijn dat aan de eisen niet is voldaan, dan kunnen zij daartegen bezwaar maken bij de rechter.
7) Recht om getuigen te horen. Vaak is een aanklacht gebaseerd op getuigenverklaringen. Een verdachte heeft het recht om deze getuigen te laten verhoren en om getuigen op te laten roepen die mogelijk een andere kijk op de zaak kunnen geven.